038.
Bijbelstudie over de
]vdah tdvic
Eén van de hoogtepunten in het leven van zowel elke
Messiasbelijdende Joodse hlyhq Q’hila [gemeente] alsook van elke
christelijke kerk is een rituele maaltijd, die op gezette tijden wordt gevierd,
waarbij volgens de Bijbelse voorschriften ongezuurd brood en zoete rode wijn
behoren te worden uitgedeeld en genuttigd ter gedachtenis aan het verzoenend
offer van Yeshua haMashiach [Jezus Christus].
Evenals bij vrijwel alle Bijbelse inzettingen het geval is, heerst helaas ook
hierover een grote verdeeldheid in opvattingen en praktische invullingen. Het
begint al bij de naam. In de rooms-katholieke kerk worden daarvoor namelijk de
volgende benamingen gebruikt: Eucharistie, Misoffer en Communie, terwijl men
het in de protestantse kerken heeft over het Heilig Avondmaal. In de orthodoxe
en koptische kerken wordt eenvoudig gesproken over “de maaltijd gebruiken”, in
het Grieks deipnew deipnēo. De meeste Messiasbelijdende Joodse gemeenten daarentegen geven de
voorkeur aan de benaming die Sha’ul haShaliach
[de apostel Paulus] hieraan gaf, namelijk de Maaltijd des Heren, in het
Hebreeuws ]vdah tdvic S’udat haAdon en in het Grieks kuriakon deipnon kyriakon deipnon. Deze benaming is
ontleend aan een passage in het oudste document, waarin hierover melding wordt
gemaakt, namelijk 1 Korintiërs 11:20-34, omstreeks 54 van de gewone
jaartelling. Hierin lezen wij aldus: “Wanneer gij
dan bijeenkomt, is dat niet het eten van de Maaltijd des Heren; want bij het
eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de een hongerig is en de ander
dronken. Hebt gij dan geen huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij
zozeer de gemeente G’ds, dat gij de behoeftigen beschaamd maakt? Wat zal ik tot
u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik niet. Want zelf heb ik bij
overlevering van Adonai ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat Yeshua haAdon [de Here Jezus] in de nacht, waarin
Hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en
zeide: Dit is Mijn lichaam voor u, doet dit tot Mijn gedachtenis. Evenzo ook de
beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het Nieuwe
Verbond (in het Hebreeuws h>dxh=tyrb B’rit haChadasha) in Mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot Mijn gedachtenis.
Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood
des Heren, totdat Hij komt. Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker
des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren. Maar
ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker. Want
wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam
niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er
ontslapen niet weinigen. Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij
niet onder het oordeel komen. Maar onder het oordeel des Heren worden wij
getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden. Daarom,
mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, wacht op elkander. Heeft iemand
honger, laat hij thuis eten, opdat gij niet tot uw oordeel bijeenkomt. Het
overige zal ik regelen, wanneer ik kom.” - Litterair bezien
is deze mededeling van Sha’ul [Paulus]
eigenlijk het oudst. De berichten van de evangelisten zijn allen van latere
datum, want Marcus schreef tussen 65
en 70 van de gewone jaartelling, Matit’yahu [Matthéüs] en Lucas tussen 70
en 80. Dat wil zeggen 35 tot 50 jaren na de laatste Sedermaaltijd, die Yeshua met Zijn Tal’midim (discipelen)
hield. Aan de andere kant zou Marcus zijn
formulering van Petrus kunnen hebben.
Tamelijk zeker is, dat Paulus zijn
overlevering pas via de gemeente in Antiochië kreeg. Sommige historici zijn van
mening dat de Maaltijd des Heren in de eerste gemeenten het middelpunt van de
eredienst zou hebben gevormd. Volgens de historicus Lietzmann bestond er zelfs
een dubbele traditie, namelijk de Jeruzalemse en de Paulinische. De eerste is
een Avondmaalsgemeenschap, waarin men met grote vreugde de tegenwoordigheid van
de opgestane Heer beleefde. De tweede zou een gedachtenisviering van Zijn dood
geweest zijn, uitgroeiend tot de dankzegging voor Zijn offer. Het is echter
veel waarschijnlijker, dat de herinnering aan de dood van Yeshua reeds vanaf het begin verbonden was met de
feeststemming over Zijn Opstanding en werd gezien in zijn heilsbetekenis.
Ontaardingen en afgoderij
Terwijl de
Messiasbelijdende Joden in de eerste gemeente elke dag eendrachtig in de tempel
waren, het brood aan huis braken en hun maaltijden met blijdschap en eenvoud
des harten gebruikten, G’d loofden en in de gunst bij het gehele volk stonden (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 2:46), bleven bij de latere gemeenten,
die voornamelijk uit niet-joodse gelovigen bestonden, ontsporingen van het
Avondmaal niet uit. Het ontaarde vaak in drinkgelag en schranspartijen. Dit
gedrag keurde Sha’ul [Paulus] in zijn
reeds aangehaalde eerste brief aan de Korinthiërs met scherpe bewoordingen af,
zoals wij hierboven hebben kunnen lezen! Daarnaast bleek het voor de gelovigen
uit de heidenen moeilijk te zijn om duidelijk onderscheid te kunnen maken
tussen de Maaltijd des Heren en de heidense offermaaltijden ter ere van de afgoden,
en zoals wij aan de huidige vermenging van Bijbelse en heidense feestdagen
kunnen zien, hebben ze daar tot de dag van vandaag nog steeds moeite mee. Ook
de vervanging van de Bijbelse Shabat door de
heidense zondag moeten wij in dit licht zien. De Eeuwige verwacht van ons, dat
wij een duidelijke keuze maken en Hij verafschuwt vermenging van Bijbelse en heidense
inzettingen! Sha’ul reageerde dan ook
buitengewoon fel op deze praktijken: “Daarom dan, mijn geliefden, ontvlucht
de afgoderij! Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf, wat
ik zeg. Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging
uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken,
een gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben
immers allen deel aan het éne brood. Ziet, hoe het gaat bij het Israël naar het
vlees: hebben niet zij, die de offers eten, gemeenschap met het altaar? Wat wil
ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is?
Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan G’d en
ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten. Gij kunt niet de
beker des Heren drinken en de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de
tafel des Heren deel hebben en aan de tafel der boze geesten. Of willen wij de
Here tot naijver wekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?” (1 Korinthiërs 10:14-22). Sha’ul wilde geen
halfslachtigheid! Niet alleen ter wille van de 'zwakken' in de gemeente moeten
de 'sterken' niet naar heidense offermaaltijden gaan, óók ter wille van
zichzelf. Ze moeten namelijk niet denken dat zij wel immuun zijn voor de
afgoderij bij deze maaltijden. Ze moeten die daarom ontvluchten. Zo een offermaaltijd
is niet onschuldig! Je bent daar op het terrein waar de boze geesten hun macht
laten gelden! Ten einde de gelovige Korinthiërs terug te houden van gemeenschap
met afgodendienaars en hen zo voor zondige daden te bewaren, stelde Sha’ul hun het voorbeeld voor ogen van Zijn eigen
volk, de Joden! Zij genoten grote voorrechten, maar door zich schuldig te maken
aan gruwelijke afgoderij, haalden zij zeer zware straffen over zich. De zonde
van het gouden kalf wordt vermeld in tvm> Sh’mot [Exodus]
32. Eerst offerden ze aan hun afgod; daarna vierden zij het offerfeest, en toen
vingen ze aan te dansen. Ofschoon hier enkel eten en drinken genoemd wordt, is
de offermaaltijd bedoeld. Sha’ul bespreekt
dit geval voor de Korinthiërs, die in verzoeking waren om feest te vieren met
heidense offeranden, dingen die de heidenen de afgoden geofferd hadden. Ook al
doen ze verder niet mee aan heidense praktijken, maar zelfs het eten en drinken
van de offeranden der afgoden als geheiligde spijze, is afgoderij, waarvoor ze
door het voorbeeld van de Israëlieten gewaarschuwd worden. Sha’ul spreekt de Korinthiërs aan als mondige
mensen, volwassen gelovigen. Hij wil dat ze nadenken bij wat ze doen. Ze moeten
beseffen dat viering van de Maaltijd des Heren en deelname aan heidense
offermaaltijden elkaar uitsluiten. In de S’udat haAdon gedenken wij immers dat Yeshua Zijn
lichaam geofferd heeft en dat Zijn bloed voor ons vergoten is. Daar moeten we
zelf deel aan hebben en als gemeente. Wie van Yeshua is, mag niet van twee walletjes eten. Onze keuze voor Yeshua moet radicaal zijn!
Avondmaal in het Christendom
De diverse kerken en gemeenten vieren
het Heilig Avondmaal op totaal verschillende tijdstippen en op verschillende
manieren. Binnen het christendom, maar ook in
Messiasbelijdende kringen bestaan namelijk nogal grote verschillen in opvatting,
vorm, toelatingscriteria en frequentie rondom de Maaltijd des Heren. In
orthodoxe, katholieke, anglicaanse en lutherse kerken vindt deze plaats doordat
de gelovigen, bij het altaar staande of knielende, brood en wijn ontvangen en
nuttigen. Terwijl vroeger alleen de priester de wijn mocht drinken mogen de
‘gewone’ katholieke gelovigen tegenwoordig het ouwel in de wijn dopen. In
calvinistische kerken vindt het Avondmaal plaats bij aanzitting aan tafels en
in evangelische gemeenten door ronddeling op de zitplaatsen. Verschillen zijn
er ook in de toelatingscriteria. Terwijl men in de rooms-katholieke kerk aan de
Eucharistieviering mag deelnemen nadat men de Eerste Heilige Communie heeft
afgelegd (meestal reeds met 8 jaar), worden in de protestantse kerken
uitsluitend degenen tot het Avondmaal toegelaten, die de Openbare
Geloofsbelijdenis hadden afgelegd (meestal niet voor het 18e jaar).
In de evangelische gemeenten mogen allen die de Heer persoonlijk hebben
aangenomen als Heiland en Verlosser en gedoopt zijn door onderdompeling, aan
het Heilig Avondmaal deelnemen. Het opmerkelijkste verschil tussen de
verschillende kerken is echter de frequentie van de viering. Er wordt namelijk heel verschillend gedacht over de vraag, hoe vaak het
Avondmaal gevierd mag worden. Terwijl de Eucharistieviering in de
rooms-katholieke kerken in principe elke zondag plaatsvindt, wordt het Heilig Avondmaal
in de reformatorische kerken over het algemeen viermaal per jaar gevierd, in sommige
kerken ook zes-, acht- of twaalfmaal. In evangelische gemeenten is dit doorgaans
één keer per maand. Was dit de bedoeling toen Yeshua zei dat we Zijn laatste Sedermaal moesten
herdenken? Ik denk van niet! Toen Hij de beker na de maaltijd nam met de woorden: “Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn
bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot Mijn gedachtenis,”
bedoelde Hij niet dat wij hem dikwijls, dus vaak moeten drinken, maar Hij
bedoelde daarmee te zeggen: “Elke keer
als jullie deze derde beker op de Sederavond drinken (en dat is dus één keer per jaar, namelijk op
de 14e Nisan), dan moeten jullie die drinken tot Mijn gedachtenis.” (1 Korinthiërs
11:25). Dit komt in andere vertalingen wat duidelijker naar voren, bijvoorbeeld
in de Willibrordvertaling: “Na de
maaltijd zei Hij zo ook van de beker: Deze beker is het nieuwe verbond door Mijn
bloed. Blijf dit doen om Mij te gedenken, telkens wanneer jullie eruit drinken,”
en in de Groot Nieuws Bijbel: “Zo nam Hij
na de maaltijd ook de beker en zei: Deze beker is het nieuwe verbond, een
verbond dat bekrachtigd wordt door Mijn bloed. Elke keer als u hem drinkt, doe
het dan om Mij te gedenken.” Hij zei:
“Deze beker!” Yeshua had het hier dus niet over zomaar een willekeurige beker
wijn, maar over een specifieke beker, namelijk de beker na de maaltijd. Iedere
Jood begrijpt meteen welke beker daarmee bedoeld is. Het is namelijk de derde
beker die bij de Sederviering gedronken wordt, de ‘Beker der Verlossing’, maar
daar zal ik straks nog nader op in gaan. Hij zegt dus niet dat wij deze beker vaak
moeten drinken, maar dat wij elke keer als wij hem drinken Zijn lijden en
sterven moeten gedenken. Dus elk jaar op de 14 Nisan. In de
liturgie van de traditionele Sederviering symboliseert de wijn in de derde beker het bloed van
het lam, dat de verlossing uit de slavernij mogelijk gemaakt heeft. Daarom
wordt deze beker ook ‘Beker der Verlossing’ genoemd. In de liturgie van de
Messiasbelijdende Sederviering daarentegen is de wijn van deze derde beker het symbool
voor het bloed van Yeshua en het ongezuurde brood symboliseert Zijn lichaam, dat geen
zonde kende. Daarmee gaf Hij aan de bestaande viering een diepere betekenis,
maar het was nooit Zijn bedoeling dat deze belangrijke onderdelen van de Sedermaaltijd
losgekoppeld zouden worden om vervolgens een eigen leven te gaan leiden. Hij
gaf daartoe geen opdracht en zeker ook geen toestemming! Bovendien ontbreekt
ook elke logica om met deze symboliek het plaatsvervangend sterven van onze Mashiach op een ander tijdstip
te herdenken dan op de 14e Nisan. Als een volk of een persoon een
verjaardag viert of iets heel belangrijks herdenkt, dan doet men dit niet elke
week of maand, maar op de dag waarop deze speciale gebeurtenis destijds heeft
plaatsgevonden. De bevrijding van Nederland wordt toch ook slechts één keer in het
jaar plechtig herdacht en gevierd, namelijk op 5 mei, en niet wekelijks of maandelijks.
Datzelfde geldt ook voor de nationale dodenherdenking op 4 mei. Als een dierbare
is overleden, dan zullen de nabestaanden misschien elke dag aan hun geliefde familielid
denken, maar toch wel op een andere manier dan op zijn of haar sterfdag. Alleen
op die bewuste dag doet men dit doormiddel van een bepaalde plechtigheid.
Begrijpt u wat ik bedoel? Zo behoren wij ook het lijden en sterven van Yeshua slechts één
keer per jaar op een plechtige wijze te herdenken, namelijk op Zijn sterfdag! Dat ook wij
evenals vele andere gelovigen de S’udat haAdon vroeger
meermaals per jaar vierden was in wezen niets anders dan een stuk bagage die
wij uit de kerken hebben meegenomen en die wij moesten loslaten zoals wij al
vele andere dingen moesten loslaten. Daarom is het in
het kader van deze Bijbelstudie belangrijk om te kijken, hoe er in de eerste
eeuwen hiermee werd omgegaan. Het tijdstip waarop Yeshua aan Zijn Sh’lichim [apostelen] de
opdracht gaf om Zijn dood telkens weer met deze viering te blijven herdenken
was en is immers van betekenis. De Messiasbelijdende Joden alsook de gelovigen uit de volken
in Klein-Azië en Syrië hielden om die reden vast aan de oorspronkelijke datum
en vierden de Maaltijd des Heren elk jaar op de 14e Nisan als integraal
onderdeel van de Sederavond. Zij werden door de Romeinse christenen daarom ‘Quartodecimanen’
genoemd, verwijzend naar quartadecima, hetgeen in het Latijn ‘de veertiende’ betekent. In deel V
van de Studia Patristica staat op blz 8 hierover het volgende: “De gewoonte van de
Quartodecimaanse kerken in Asia in verband met de dag waarop het Pascha (het Avondmaal
des Heren) werd gevierd, was een voortzetting van die van de kerk in Jeruzalem.
In de 2de eeuw herdachten deze kerken met hun Pascha op de 14de Nisan de verlossing
die door de dood van Christus tot stand was gebracht.” En op Wikipedia lezen wij:
“Quartodecimanen is een benaming van die christenen die de datum van het
paasfeest berekenden zoals de joden: op de 14de dag van de maand Nisan (Leviticus
23:5 en Johannes 19:14). Deze dag kon op iedere dag van de week vallen. De
Romeinse christenen zijn begonnen het paasfeest op de daaropvolgende zondag te
vieren.” Door historici wordt bevestigd dat de gemeenten in Klein-Azië, waar
vooral de apostelen Sha’ul [Paulus] en Yochanan [Johannes] persoonlijk actief geweest
waren, en later ook een deel van de Keltische gemeenten in Ierland, Britannia en Gallia zich aan de 14e
Nisan hielden als
dag om de Maaltijd des Heren te vieren terwijl de gemeente in Rome in plaats
daarvan de de eerste zondag ná de volle maan ná de lente-equinox naar voren
schoof. Binnen het vroege christendom ontstond hierdoor een heftig geschil met
betrekking tot de berekening van de datum van Pasen. Om deze en andere kwesties
waardoor de christenen in zijn rijk werden verdeeld, op te lossen, riep de tot
het christendom bekeerde keizer Constantijn de Grote in het jaar 325 van de
gewone jaartelling een oecumenische synode bijeen, die het concilie van Nicea
wordt genoemd. Het concilie, waaraan meer dan 300 bisschoppen uit het hele
Romeinse Rijk deelnamen, vaardigde een decreet uit waarin alle gelovigen in
Klein-Azië en elders werd opgedragen zich aan het gebruik van Rome aan te
passen en de Avondmaalsviering niet langer in overeenstemming met de datum op
de joodse kalender te houden. Het christelijke paasfeest mocht in geen geval
met het joodse Pesach samenvallen. De negatieve rol die keizer Constantijn ten
opzichte van de Joden gespeeld heeft, komt in een brief van de keizer aan het
concilie duidelijk naar voren, waarin hij o.a. het volgende schreef: “Het is de
heiligste van alle feesten onwaardig om de gewoonte van de Joden te volgen. Het
is onze plicht om niets gemeenschappelijks te hebben met de moordenaars van
onze Here. Wij wensen ons af te zonderen van het verfoeilijke gezelschap van de
Joden, zulk een verdorven volk!” Tot zover dit citaat. Deze Romeinse keizer is
het blijkbaar volledig ontgaan dat Yeshua zelf een Jood was en dat niet
de Joden maar de Romeinen, zijn eigen volksgenoten, de Joodse Messias ter dood
hebben gebracht. Bovendien was hij blijkbaar vergeten dat Yeshua aan het kruis
allen had vergeven die voor Zijn dood verantwoordelijk waren omdat zij niet
wisten wat zij deden. Voor Constantijn had Israël echter afgedaan en zijn kerk
had de plaats van Israël ingenomen. Het is dus duidelijk dat hieraan ten
grondslag antisemitisme lag en dat deze anti-joodse houding bij talrijke
zogenaamde ‘christenen’ ook vandaag nog merkbaar aanwezig is. In het op het
concilie van Nicea uitgevaardigde decreet werden de Quartodecimanen die de
Maaltijd des Heren op de 14e Nisan vierden als judaïsten bezien en als ketters en schismatici
veroordeeld. Vanaf die tijd werden zij zwaar vervolgd en een in het jaar 341 van
de gewone jaartelling gehouden concilie te Antiochíë verordende zelfs dat zij
geëxcommuniceerd moesten worden! Ondergronds woedde de strijd echter nog
eeuwenlang voort, want ook de Synode van Whitby in 664 was voor een belangrijk
deel aan dit probleem gewijd. Met deze besluiten had de kerk zichzelf in feite
volgens het beeld, dat Sha’ul [Paulus] in Romeinen 11:17-24 gebruikte, van de olijfboom
weggesnoeid. Nadat de Bijbelse Shabat door de heidense zondag werd vervangen,
vierde men in de vroegchristelijke kerk het heilig Avondmaal iedere zondag. Het
werd van kwaad tot erger. Een eeuwenlange ontwikkeling resulteerde in het
Lateraanse Concilie van 1215, dat de transsubstantiatie, de wezensverandering
van brood en wijn in lichaam en bloed van Christus leert, en in het Concilie van Trente (1545-1563), dat ten aanzien van de
Heilige Mis (een andere benaming van het Avondmaal) spreekt van een waarlijk
offer. Volgens de rooms-katholieke opvattingen treedt men in het eten van het
brood en het drinken van de wijn werkelijk in gemeenschap met het aanwezige
Paaslam, om zich zelf met Hem mede te offeren als een geestelijke offerande.
Vandaar het sterk accent in de rooms-katholieke theologie op het offerkarakter
van de Eucharistieviering. De reformatoren hadden hiertegen ernstig bezwaar,
omdat dit de unieke betekenis van de op Golgotha volbrachte verzoening tekort
doet. In het westerse christendom heeft zich derhalve een hevige strijd ontwikkeld,
die verdeeldheid gebracht heeft tussen de rooms-katholieke Kerk en de 16e eeuwse
hervormingsbeweging en tussen de Protestanten onderling. Daarbij raakte de
aandacht van de Katholieken zo geconcentreerd op het denkpatroon van de
werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in de Eucharistie, dat
nauwelijks nog belangstelling bestond voor de vraag, waartóé Christus eigenlijk aanwezig zou zijn! Ook in
reformatorische kringen denkt men verschillend over dit onderwerp. Luther hield
vast aan deze tegenwoordigheid, zij het niet in de vorm van de transsubstantiatie,
waarin door de priester het brood en de wijn zouden worden veranderd in het
échte vlees en bloed van de Heer, maar wèl in de consubstantiatieleer, namelijk
dat de Heer in, met en onder de elementen aanwezig is. Zwingli en Calvijn wezen
deze gedachte af. Voor Zwingli wordt de gemeente, als zij de maaltijd tot
gedachtenis van Zijn offerdood houdt, zelf tot het lichaam van Christus. Het Avondmaal is dan symbool voor een
geestelijke werkelijkheid. Volgens Calvijn is tijdens de viering Christus door de Heilige Geest aanwezig voor de
harten der gelovigen. De Avondmaalsstrijd, het conflict tussen de lutheranen en
de gereformeerden, die in de 16e eeuw de eenheid van het protestantisme
in gevaar bracht, is nog steeds niet helemaal overwonnen. Aan de hand van dit
historisch overzicht kunnen wij helaas maar al te duidelijk zien hoe ver de
diverse christelijke denominaties afgedwaald zijn van G’ds Woord door zichzelf
weg te snoeien van de Edele Olijfboom en dat geeft voor ons des te meer de
noodzaak aan om terug te keren naar onze joodse wortels.
Terwijl het Heilig Avondmaal als één van de sacramenten
in de christelijke kerken een geheel eigen plaats heeft gekregen, kan de
Maaltijd des Heren, in het Hebreeuws ]vdah
tdvic
S’udat haAdon, door de Messiasbelijdende Joden niet los worden gezien van de rdc xcp Pesach Seder en wordt daarom
ook dikwijls het Sedermaal van Yeshua genoemd. Dit geeft dan ook duidelijk aan, dat het hier om
een puur Joodse aangelegenheid gaat, omdat het offer van Yeshua en de instelling
van het Nieuwe Verbond rechtstreeks te maken hebben met de uittocht uit Egypte
en de instelling van het Oude Verbond. De uittocht uit Egypte is de a alef en de t tav (eerste en laatste letter) van de
Joodse geschiedenis en tot op de dag van heden tevens van het Joodse
g’dsdienstig leven, voor zover het in symbolen wordt uitgedrukt en in
ceremonieel en ritus is vastgehouden. Dáár immers begint de wonderbare
heilsgeschiedenis van het volk Israël, in de maand ]cyn Nisan, die daarom ook wel de maand der wonderen
wordt genoemd. Het is niet overdreven om te zeggen dat xcp Pesach voor het
Jodendom het belangrijkste feest is, dat in alle andere feesten, in elke Shabat, ja in de
gebeden van elke dag door blijft klinken! Waar zouden de andere feesten immers
vandaan gekomen zijn, indien niet ook uit het feit der volksgeboorte? Ook de Shabat wordt “een
herinnering aan de Uittocht uit Egypte” genoemd, in de Tora zelf, namelijk
in ,yrbd D’varim [Deuteronomium]
5:15. Dat de humane vreemdelingenwetten gemotiveerd worden met de verwijzing
naar de eigen vroegere slavernij ligt eveneens voor de hand. Er is in dit
opzicht nagenoeg niets te bedenken, dat niet met de uittocht uit Egypte in
verband wordt gebracht. Het is dan ook geen toeval, dat het lijden en sterven
van Yeshua juist heeft
plaatsgevonden tijdens het feest waarop de uittocht uit Egypte wordt herdacht,
en dat Hij op ,yrvkbh ,vy Yom haBikurim, de Dag van de
Eerstelingen, uit het graf is opgestaan als Eersteling uit de doden! Over de
instelling van Pesach en het feest der ongezuurde broden lezen wij in de Tora het volgende: “In de eerste maand, op de
veertiende der maand, in de avondschemering, is het Pesach voor de Eeuwige. En op de vijftiende dag van
deze maand is het feest der ongezuurde broden voor de Eeuwige, zeven dagen zult
gij ongezuurde broden eten.” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus]
23:5-6).
Zuurdeeg
Enkele weken vóór Pesach begint de Joodse huisvrouw de woning van boven
tot beneden schoon te maken, zodat nergens ook maar een greintje zuurdeeg
overblijft. Zuurdeeg, in het Hebreeuws /mx Chametz, is het symbool
voor “zonde”. Ongetwijfeld heeft Sha’ul hierop gedoeld, toen hij schreef: “Weet gij niet, dat een weinig Chametz [zuurdeeg] het gehele deeg zuur maakt? Doet het oude zuurdeeg weg, opdat
gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons Pesachlam is geslacht: de Mashiach. Laten wij derhalve feest vieren,
niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met
het ongezuurde brood van reinheid en waarheid.” (1 Korinthiërs 5:6-8). Daarom vraagt het Pesachmaal als voorbereiding een ernstig zelfonderzoek, opdat belijdenis en
reiniging van zonden de gemeenschap met G’d zal mogelijk maken. Nadat alle Chametz [zuurdeeg] uit
het huis verwijderd is en als de geur van reinheid op de dag die aan Pesach voorafgaat in
de Joodse woningen zweeft, dan zien allen opgewekt en in zekere spanning
verlangend uit naar de Sederavond, waarop het Pesachfeest met al zijn glans en glorie in de
huizen neerdaalt. Allen, jong en oud! Zij, die helemaal het ceremoniële Joodse
leven kennen, en zij, die er voor kleiner of groter deel zijn buiten komen te
staan. De Seder boeit toch vele massa’s Joden, gelovig of niet! Met de Sedermaaltijd wordt
de verlossing uit de slavernij gevierd, die tegelijk de geboorte van Israël als
volk was. Daarom mag dit feest ook aan geen enkele Jood ongemerkt en ongevierd
voorbijgaan. Er worden maatregelen getroffen door allerlei groepen en
verenigingen, om er zoveel mogelijk voor te zorgen dat er voor elke Jood, wie
dan ook, ergens een plaats aan een Sedertafel is. En zelfs de “vreemdeling, die
in uw poorten is” wordt niet daarbij vergeten.
Geen
onbesnedenen
Oorspronkelijk was de hlym=tyrb B’rit-Mila [besnijdenis] een voorwaarde om
als niet-jood aan het Sedermaal te mogen deelnemen: “Maar wanneer een vreemdeling bij u vertoeft en de Eeuwige het Pesach wil vieren, dan zal ieder van het mannelijk
geslacht, die bij hem behoort, besneden worden; eerst dan mag hij naderen om
het te vieren; hij zal gelden als in het land geboren. Maar geen enkele
onbesnedene mag ervan eten.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 12:48). Op grond van deze tekst
trekken sommigen helaas de (volgens mij) verkeerde conclusie dat onbesneden
gelovigen uit de volken ook niet mogen deelnemen aan de huidige viering van Pesach (waarbij dus het offerlam ontbreekt). Ik ben
van mening dat dit wel zou mogen en in onze groep gebeurt dat dus ook! Deze
genoemde bepaling uit de Tora had binnen die
context namelijk uitsluitend betrekking op het mee-eten van het pesachlam door
vreemdelingen die samen met de Israëlieten mochten vertrekken uit Egypte. Lees
maar: “De Eeuwige zeide tot Moshe [Mozes] en
Aharon [Aäron]: Dit is de inzetting van het Pesach: geen enkele vreemdeling mag ervan eten.
Iedere slaaf, die door iemand voor geld is gekocht, mag er eerst van eten,
wanneer gij hem besneden hebt. Een bijwoner en een dagloner mogen er niet van
eten. - Maar wanneer een vreemdeling bij u vertoeft en de Eeuwige het Pesach wil vieren, dan zal ieder van het mannelijk
geslacht, die bij hem behoort, besneden worden; eerst dan mag hij naderen om
het te vieren; hij zal gelden als in het land geboren. Maar geen enkele
onbesnedene mag ervan eten.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 12:43-45 en 48). U
ziet, dat hier alleen maar staat dat het de onbesnedenen verboden was om van
het pesachlam te eten, maar dat lam wordt sinds
de verwoesting van de tempel ook niet meer gegeten door de besnedenen. De
huidige Sederviering verwijst daarom alleen nog
maar symbolisch naar de oorspronkelijke Sederviering
en daarom is er voor de gelovigen uit de volken geen enkele belemmering meer om
aan deze symbolische viering van Pesach deel te
nemen, mits zij besneden zijn van hart. Dat dit niet alleen door mij, maar ook
door velen binnen het huidige rabbijnse Jodendom zo wordt gezien blijkt al uit
het feit dat veel orthodoxe Joodse gezinnen met name in Amerika en zelfs
Israël, niet-Joodse vrienden en buren voor de Sederavond
uitnodigen! Verder maak ik toch ook nog wel een onderscheid tussen de
traditionele Pesachviering en de
Messiasbelijdende Pesachviering waarin Yeshua centraal staat. Dat ook Sha’ul dit onderscheid maakt blijkt namelijk uit het
feit, dat hij in 1 Korinthiërs 5:6-8 ook de niet-Joodse gelovigen uit de volken
oproept om het feest van de ongezuurde broden te vieren, terwijl hij twee
hoofdstukken verder in diezelfde brief, maar ook in zijn andere brieven
aangeeft, dat dezen juist onbesneden zijn. Het pesachlam dat destijds geslacht werd,
was een tijdelijk offer voor de bevrijding van de Israëlieten en de
vreemdelingen die zich bij hen aansloten, maar het offer van Yeshua is een
offer voor altijd ter bevrijding van de hele mensheid voor een ieder die in Hem geloofd en besneden is van hart!
Daarom vraagt hij dan ook zeer terecht in Galaten 5:2-6, waarom een niet-Jood
zich zou moeten laten besnijden. Hij heeft er geen enkele reden toe en loopt
zelfs kans om zichzelf buiten de genade te plaatsen als hij het wel zou doen.
Voor deze viering gelden derhalve slechts twee voorwaarden: het geloof in het
offer van Yeshua en de besnijdenis des harten.
Daarom schrijft Sha’ul nadrukkelijk: “Laat ieder zo leven, als de
Eeuwige hem toebedeeld heeft, zo, als G’d hem geroepen heeft. Zo schrijf ik het
in alle gemeenten voor. Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet
verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden.
Want besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel
het houden van G’ds geboden. Ieder blijve bij die roeping, waarin hij was, toen
hij geroepen werd!” (1 Korinthiërs 7:17-20). Dit wordt in vers 24 herhaald:
“Broeders, iedereen blijve voor G’d in die toestand, waarin hij werd
geroepen!” - Sha’ul schrijft hier dus niet
dat een gelovige uit de volken zich later alsnog zou moeten laten besnijden.
Integendeel! Hij schrijft juist dat een onbesnedene in de toestand moet blijven
waarin hij geroepen was en zich beslist niet moet laten besnijden! Om deze
reden ben ik van mening, dat uitsluitend Joden en gelovigen met Joodse
voorouders zowel besneden van vlees alsook besneden van hart moeten zijn, maar
dat voor de niet-Joodse gelovigen uit de volken de besnijdenis des harten
voldoende is.
Het
Paaslam
Het oorspronkelijke Pesachlam was maar een
afschaduwing van het ware, ultieme Pesachlam: Yeshua! Hij wordt immers het Lam G’ds genoemd,
vooral in de Openbaring. Het Pesachlam moest een mannetje zijn, een jaar oud, in de bloei van
zijn leven. Yeshua heeft Zich eveneens geofferd in de bloei van Zijn leven. Het
moest gaaf zijn, wat de reinheid van Yeshua aanduidt. Het lam moest vier dagen van
tevoren afgezonderd worden en het is dan ook zeer opmerkelijk, dat Yeshua ook vier dagen
voor Zijn dood Zijn plechtige intocht heeft gedaan in Jeruzalem. Het lam moest
geslacht en aan het vuur gebraden worden, aanduidende het vreselijke lijden van
Yeshua, die de zonden
van alle mensen op Zich nam, want de toorn G’ds is als laaiend vuur! Geen been
moest aan het lam gebroken worden, hetgeen uitdrukkelijk gezegd wordt vervuld
te zijn in Yeshua na Zijn dood, waarmee Zijn onverbroken kracht wordt aangeduid. Zo
is Yeshua ons xcp Pesachlam! Dat schreef Sha’ul in de bovengenoemde
brief aan de Korinthiërs, en dat blijkt ook ondubbelzinnig uit het Evangelie
van ]nxvy Yochanan [Johannes],
waarin Yeshua precies op hetzelfde tijdstip stierf, waarop volgens de farizeese
traditie het Pesachlam in de voorhof van de tempel geslacht werd! Tot op de huidige
dag viert het farizeese Jodendom de Sederavond namelijk pas bij het begin van de
15e Nisan. De drie andere evangelisten Matit’yahu [Matthéüs], Marcus en Lucas daarentegen
spreken duidelijk over de Bijbelse Sederavond bij het begin van de 14e
Nisan, die aan het
lijden van Yeshua voorafging. Dit blijkt uit verschillende details: bij de
voorbereidingen is herhaaldelijk sprake van het Pesach, de maaltijd
heeft in Jeruzalem en niet op de Olijfberg plaatsgevonden (het was voorschrift,
het Pesachlam binnen de
poorten van Jeruzalem te nuttigen), het werd overeenkomstig het gebruik bij
nacht gehouden, er wordt over meerdere bekers wijn gesproken alsook over
ongezuurde broden en het dopen in de schotel en alles werd afgesloten met de
lofzangen van de Halel-psalmen. Het is dan ook buitengewoon boeiend om de Sederavond zoals Yeshua hem met Zijn Tal’midim [discipelen]
vierde, stap voor stap nader te bekijken.
De Sedertafel
“tvjmh ,vy Yom haMatzot [de dag der ongezuurde broden] kwam,
waarop het xcp Pesach moest geslacht worden. En Hij zond Kefa [Petrus] en Yochanan [Johannes] uit, zeggende: Gaat heen,
maakt het Pesach voor ons
gereed, opdat wij het kunnen eten.” (Lucas 22:7-8). Op
de Sedertafel mocht in die tijd het Pesachlam niet ontbreken, maar heden ten dage ligt er maar een aanschouwelijk
symbool hiervoor op de Sederschotel: een
gebraden botje. Het Pesach kan immers
buiten de tempel, die er niet meer is, niet volgens de farizeese offervoorschriften
geslacht worden. Bovendien heeft Yeshua de plaats van het Pesachlam ingenomen. rdch=lyl Leil-haSeder [de Sederavond] gaat beginnen. Ter ere van
dit familiefeest wordt de tafel met het mooiste versierd, dat het huis kan
bieden. Het sneeuwwitte tafelkleed wordt overgoten door het stralende licht van
de kandelaars. Daarop staat de grote Sederschotel, in het Hebreeuws hriqh rdc Seder haQ’ara, genaamd, waarop drie tvjm Matzot [ongezuurde
broden] liggen, in drie afzonderlijke plooien van een witte servet verborgen,
die speciaal gevouwen is, zodat ze elkaar niet aanraken. Verder ziet men op de
schotel een mierikswortel en sla als vervanging van de bittere kruiden, rvrm Maror genoemd, een bosje peterselie, selderij of
radijs in de plaats van hysop en een kommetje met azijn of zout water en een paar
hardgekookte eieren. En dan is er natuurlijk ook nog zoals ik reeds vermeld heb
het gebraden lamsbotje en de tcvrx Charoset, een mengsel van appelmoes,
gemalen amandelen en noten, kaneel en rode wijn, dat moet herinneren aan de
bouwstenen, die de slaven moesten maken in Egypte, want wat de kleur betreft
doet het denken aan klei. De bittere kruiden worden ter herinnering aan het
bittere lijden onder de slavernij in Egypte gegeten. Het kauwen van de
mierikwortel perst u daarom ook terstond de tranen uit de ogen! De eieren en
het zoute water worden in de Tora weliswaar
niet genoemd, maar wel in de Talmud. De eieren
worden zó doorgesneden, dat het geel in het wit op een oog lijkt. Door dit in
het zoute water gedoopt te eten, wordt men herinnerd aan de tranen, die de
vroegere slaven gestort hebben over hun harde lot. Toen Yeshua aankondigde, dat één van de aanwezigen Hem zou verraden,
zei Hij: “Die zijn hand met Mij in de schotel doopt, die zal Mij verraden.”
(vhyttm Matityahu [Matthéüs] 26:23). Hieraan
zien wij hoe nauwkeurig Yeshua Zich heeft
gehouden aan bestaande tradities. Tenslotte staan er in de traditionele
gezinnen nog één grote en vier kleine bekers met wijn op tafel. De vijfde is de
beker voor aybnh vhyla Eliyahu haNavi [de profeet Elia], want er
staat geschreven: “Zie, Ik zend u de profeet Eliyahu, voordat de grote en geduchte dag van Adonai komt.” (ykalm Mal’achi [Maleachi] 3:23 (NBG-vertaling 4:5). Op de Sederavond begint de ,yrvm>=lyl Leil-Shimorim, de heilige nacht van G’ddelijke
Bescherming, die eens de Nacht der Verlossing was. Wat zou het natuurlijker
zijn, dan dat de profeet Eliyahu nu zou komen?
Op deze avond, in Israël en ook in heel de wereld, hoever ook uit elkaar
gedreven en hoe in kleine splinters ook geslagen, overal aan de Sedertafel zit en de verlossing gedenkt en viert,
verwacht men de komst van Eliyahu om de
spoedige komst van de Mashiach of beter
gezegd de wederkomst van Yeshua, aan te
kondigen. De wijn staat klaar voor hem en hij kan zo aanschuiven. Daarom wordt
ook de deur voor hem volgens de traditie wagenwijd opengezet! Veel Messiasbelijdende
Joden doen dit echter niet omdat zij de komst van Yeshua volgens de
geschriften uiteraard eerder verwachten dan die van Eliyahu.
,yrvm>=lyl Leil-Shimorim, de heilige nacht van G’ddelijke Bescherming, is begonnen en men gaat aan
tafel zitten. De Sederviering begint met
het uitspreken van de >vdyq Qidush, de zegenspreuk
over de wijn: ]pgh
yrp arvb ,lvih ;lm vnyhla yy hta ;vrb Baruch Ata Adonai,
Eloheinu, Melech haOlam, bore pri haGafen! [Gezegend zijt
Gij, Eeuwige, onze G’d, Koning van het heelal, die de vrucht van de wijnstok
hebt geschapen]. In koor tezamen wordt de Qidush uitgesproken, met vaders stem erboven uit, natuurlijk, want de vader, het
hoofd en de priester van het gezin, zal de leiding van de Sederviering in handen hebben. Het was en is vrij
algemeen bij de Joden, die uit het oosten stammen, de gewoonte van de heer des
huizes, om op deze avond een “Kittel” aan te
trekken. Een Kittel is het witte
gewaad, dat men aan heeft als men begraven wordt. Deze gewoonte heeft in eerste
instantie niets met een begrafenis te maken, maar het doodsgewaad herinnert aan
het opperkleed van de Priester, de toga voor de dienst. Plechtig is het zeker,
en ergens is het toch wel een symbool voor de dood van Yeshua, die spoedig op Zijn laatste Sedermaaltijd volgde. Na de Qidush over de wijn drinkt iedereen plechtig, op de
linkerarm leunend, uit de eerste beker: de eerste vrijheidsdronk! Voor de vader
is er een soort sofa gereed gemaakt met twee kussens en de mooiste witte slopen
die het huis bezit, soms van zijde, geborduurd. Dat is de “Lahn” (Lehne), dat wil zeggen over Duits-Jiddisch heen: de leun! Dit sofa herinnert aan
vroegere tijden toen men niet als wij aan tafel zat. Onze voorouders strekten
zich op sofa’s uit en lagen aan, want hun feestdis was heel laag. Ze vlijden
zich aan hun maaltijd gemakkelijk neer, op voornamelijk hun linkerzijde om de
rechterhand vrij te houden om daarmee de drinkbeker vast te houden. Daarom
leggen wij ons tegenwoordig bij het drinken van de wijn een beetje naar links,
leunende op de linkerarm! Dit tafereel van het aanliggen van Yeshua en de Zijnen komen wij ook in Lucas 22:14-16
tegen: “En toen het uur aangebroken was, ging Hij aanliggen en de apostelen
met Hem. En Hij zeide tot hen: Ik heb vurig begeerd dit Pesach met u te eten, eer Ik lijd. Want Ik zeg u,
dat Ik het voorzeker niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het
Koninkrijk G’ds.” - Na het drinken van de eerste beker
worden volgens de traditie de handen van hem gewassen, die de leiding van de Seder heeft, want hij is deze avond in het
bijzonder koning. Hoe doeltreffend slaat dit op Yeshua! Men komt daarom tot hem met de schaal en kan. Hij staat niet op, maar
laat zich bedienen. Althans, zo wordt dit in de traditionele Joodse gezinnen
gedaan. Yeshua heeft deze
traditie echter doorbroken door als leider van de Seder de voeten van Zijn tafelgenoten te wassen en
Hij gaf ons de opdracht, Hem daarin na te volgen (Joh. 13:1-20). Daarna neemt
hij een beetje peterselie, selderij of radijs, doopt die in zoutwater en deelt
het rond aan alle aanwezigen, die het na het uitspreken van de hkrb B’racha [zegenspreuk] opeten. Nu neemt de leider de
middelste van de drie Matzot [ongezuurde
broden] uit de Sederschotel, breekt
deze in twee stukken en verbergt de grootste helft, zoals het heet voor
nagerecht, ]mvqypa Afiqoman. Straks na de maaltijd zal het rondgedeeld
worden. Maar het zal dan, hoewel achteraan, toch geen nagerecht, maar symbolisch
vlees van het Pesachlam zijn. Maar wat zou nu de diepere betekenis
zijn, die hieraan ten grondslag ligt? Waarom wordt dit stuk Matza verborgen? Alleen Messiasbelijdende Joden
weten op deze vragen het antwoord: Yeshua is het Brood des Levens, en tevens het Lam van G’d!. Daarom is de Matza symbolisch vlees van het Pesachlam. Dat de helft ervan verborgen wordt wil zeggen, dat Hij voor een deel van
het Joodse volk verborgen is. Later wordt dit stuk Matza weer tevoorschijn gehaald, zoals ook later
(bij Zijn wederkomst) Yeshua aan het
hele Joodse volk wordt geopenbaard. Het wordt ook verborgen Manna genoemd, want
het heeft een geestelijke betekenis, namelijk van dood en opstanding van Yeshua. Het verborgen Manna doet ons ook denken aan
de belofte die de verheerlijkte Mashiach gaf: “Wie overwint, dié zal Ik geven van het verborgen Manna!”
(Openbaring 2:17). Dit doelt natuurlijk op onze gemeenschap met de Hogepriester
ter rechterhand G’ds, in levensheiliging! - De Sederschotel met de Matzot wordt nu
opgetild en de leider zegt, kijkend naar de ongezuurde broden: “Dit is het
brood der ellende, dat onze voorouders in Egypte hebben gegeten. Laat allen die
honger hebben, komen en mee-eten! Laat allen die in nood zijn, komen en met ons
Pesach vieren! Nu nog hier, het volgend jaar
in het land Israël, nu nog als slaven, volgend jaar als vrije mensen!” Men
schenkt nu weer de beker vol en dan stelt liefst het jongste kind de bekende
vier vragen aan de vader: “Waarom is deze avond zo anders dan alle andere
avonden? Immers, op alle andere avonden mogen we eten Chametz en Matza, dus naar believen gezuurd of ongezuurd brood, maar waarom vanavond
uitsluitend Matza? Andere avonden
eten we allerlei soorten groente, waarom vanavond Maror, bittere kruiden? Andere avonden dopen we
zelfs niet éénmaal in, waarom vanavond tweemaal? Andere avonden eten we in zittende
of leunende houding naar believen, waarom liggen we vanavond allemaal aan?” De
kinderen hebben die vragen heel nauwkeurig ingestudeerd, en het is de trots van
elke Joodse vader zijn zoon of dochter die vragen foutloos in het Hebreeuws te
horen lajenen. Daarmee is de Seder geopend en de xcp l> hdgh Hagada shel Pesach, de liturgische vertelling over de uittocht uit Egypte begonnen. Ook Yeshua en Zijn discipelen hadden uiteraard als
hoofdonderwerp van hun gesprekken tijdens de Sedermaaltijd de bevrijding van Israël uit Egypte, maar het grote Paaslam stond
nu op het punt om geofferd te worden, en de gesprekken hierover namen de plaats
in van alle anderen! Na de uitleg neemt de leider de beker in de hand, bedekt
de Matzot en spreekt een dankgebed uit. Ook Yeshua nam de beker der dankzegging, volgens de
gewoonte, zei dank voor de verlossing van Israël uit de slavernij en de
bewaring van hun eerstgeborenen. Na het zeggen van de Qidush drinkt men nu op de linkerzij leunend, de
tweede beker. In Lucas 22:17-18 lezen wij: “En Hij nam een beker op, sprak
de dankzegging uit en zeide: Neemt deze en laat hem bij u rondgaan. Want Ik zeg
u, Ik zal van nu aan voorzeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken,
voordat het Koninkrijk G’ds gekomen is.” Ook in Matit’yahu [Matthéüs] 26:29 vinden wij deze belofte van
Yeshua: “Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan
voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag,
dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.” Hij
doelt hiermee op de vierde beker, de beker der Lofprijzing. Yeshua kijkt door het lijden heen naar de toekomst.
Het feest zal voor Hem ook pas aanbreken als wij bij Hem zijn! Hij wacht op
ons. Bij een beker nieuwe wijn zullen we elkaar weerzien! Volgens de Talmud zien ook de rabbijnen de komst van de Mashiach in de toekomst weggelegd in die vierde
beker. Hij die de leiding van de Seder heeft neemt de bovenste Matza uit de
schotel en zegt de hjmh hkrb B’racha haMotzi. Dan neemt
hij de overgebleven helft van de middelste Matza uit de schotel en zegt de Bracha hierover.
Hij breekt nu een flink stuk van de bovenste en middelste Matza af en eet deze samen, op de linkerzijde
leunend en deelt eveneens stukjes Matza uit aan allen, die aan de Seder deelnemen.
De leider neemt nu Maror, bittere
sla, doopt deze even in de Charoset, eet het
nadat hij de zegenspreuk heeft gezegd en deelt de rest ervan uit. Nu wordt een
echte feestmaaltijd opgediend en besloten met het breken en eten van de halve Matza, die bij het begin van de Seder is opgeborgen, de Afiqoman. Dit verborgen Manna is sinds de verwoesting
van de tempel symbolisch vlees van het Pesachlam, hetgeen dus
rechtstreeks wijst naar Yeshua. Over dit
onderdeel van de viering lezen wij in Lucas 22:19 het volgende: “En Hij nam
een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is
Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot Mijn gedachtenis.” -
Nu wordt de derde beker wijn ingeschonken en het dankgebed over de maaltijd
uitgesproken. Na de maaltijd drinkt men leunend de derde beker. De rode wijn is
volgens de traditie een herinnering aan het bloed van het Pesachlam, dat gestreken moest worden aan de deurposten, opdat de engel des doods aan
de huizen van de Israëlieten zou voorbijgaan. Maar met deze derde beker zit het
nu anders. De wijn uit deze beker is nu het teken van het bloed dat Yeshua, het Lam van G’d, moest vergieten om volgens
het voorschrift uit arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 17:11
een waardig offer te zijn: “Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik
heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het
bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel.” Daarom moet het ook wijn
zijn en geen druivesap, want de alcohol in de rode wijn symboliseert de ziel.
Pure alcohol is spiritus, en spiritus is de Latijnse naam voor geest, en geest
staat ook synoniem voor ziel. Zo is dus de rode wijn in de derde beker het
teken van het verzoenende bloed van Yeshua: “En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en
zeide: Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn Verbond, dat voor
velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 26:27-28).
Dat het inderdaad de derde en niet de vierde beker was, blijkt duidelijk uit de
volgende tekst: “Evenzo de beker, na
de maaltijd, zeggende: deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, die
voor u uitgegoten wordt” (Lucas 22:20). Het was de beker na de maaltijd. Na
het drinken van de derde beker kan de na-seder beginnen. Zoals ik reeds heb vermeld wordt in de traditionele gezinnen de
deur wijd geopend voor Eliyahu, want het
is Leil-Shimurim, de Nacht der
G’ddelijke Bescherming. En dan schenken zij de vierde beker in en tevens de
vijfde beker voor Eliyahu haNavi, waarbij
vervolgens de lofzang, het grote Halel helemaal ten einde gezongen wordt: de Psalmen 115-118 en 136, besloten met
het overschone tm>n Nish’mat: “De ziel van al wat leeft looft Uw Naam,
o Eeuwige, onze G’d!”. De aanwezigen kijken elkaar in de ogen en wensen
elkaar toe: ,yl>vryb
habh hn>l “L’shana haba’a birushalayim [Tot het volgend jaar in Jeruzalem]!”, en zij drinken daarop de vierde
beker leeg! Uit Matthéüs 26:30 blijkt echter, dat Yeshua en de Zijnen dit niet meer deden: “En na
de lofzang gezongen te hebben, vertrokken zij naar de Olijfberg.” Zo zullen
ook wij deze vierde beker voorlopig laten staan en vol verwachting uitzien naar
de dag waarop wij hem mogen drinken op de Bruiloft des Lams. Zo zien wij dat de
Sederviering niet alleen een terugzien is
naar Israëls wonderlijke bevrijding uit de slavernij, maar dat naast de
historische betekenis er ook een profetische verwachting in schuilt. Het Joodse
volk ziet elk jaar met Pesach uit naar de
komst van de Mashiach en ieder jaar weer
is het sinds eeuwen een teleurstelling geweest, dat Hij nog uitbleef! Wij weten
dat Hij reeds gekomen is in vernedering, en wij zien bij ieder Sedermaal terug naar Golgotha, waar Hij als Pesachlam stierf voor de zonden van Israël en voor de zonden van de hele wereld.
Maar wij hebben óók de zekerheid, dat Hij zeer spoedig zal wederkeren in
heerlijkheid! Inderdaad, de Maaltijd des Heren is daarom ook onlosmakelijk verbonden
met de 14e Nisan en kan derhalve niet op een ander
tijdstip gevierd worden! In de Joodse traditie wordt verwacht, dat de
(weder)komst van de Mashiach [Messias]
een nieuwe exodus en nu definitieve verlossing zal brengen. Eliyahu zal er de voorbode van zijn. En die verlossing
zal in de Messiaanse tijd gevierd worden met een maaltijd, die steeds afgeschilderd
wordt in woorden en beelden, ontleend aan de Sedermaaltijd. In dat licht gezien wordt het ook duidelijk, waarom Moshe [Mozes], de leider van de eerste exodus en Eliyahu [Elia], de voorbode van de Messiaanse exodus
op de berg der verheerlijking met Yeshua spraken over Zijn eigen exodus, die Hij in Jeruzalem ging volbrengen! Nu
wordt het ons ook duidelijk, waarom Sha’ul over de verlossing door kruis en opstanding vaak sprak in termen van de
Joodse Sederviering en waarom Yeshua voor ons allen de ]vdah tdvic S’udat haAdon instelde toen
Hij voor het laatst de Sedermaaltijd vierde als teken van de Messiaanse Verlossing,
waarover juist de Joodse traditie zo hoopvol spreekt: “Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de
dood des Heren, totdat Hij komt!” (1 Korinthiërs
11:26).A